Ben je ook verslaafd aan doen? Aan voortdurend bezig zijn. Aan vooruit bewegen. Verslaafd aan het gevoel dat je pas mag stoppen als alles echt af is. En dat het eigenlijk nooit af is. Dat er altijd een to-do lijst is die blijft groeien. Is dat herkenbaar?

Waarom blijven we altijd doorgaan

Vietnamese monnik Thich Nhat Hanh schreef er prachtig over. Over hoe wij als mensen altijd maar rennen. Niet alleen wij — onze ouders deden het ook. En hun ouders. En hun ouders weer daarvoor. Rennen om te overleven. Rennen om veilig te zijn. Rennen om het in godsnaam maar goed te doen. En nu rennen wij nog steeds. Maar niet meer naar eten of veiligheid. Niet naar overleving. We rennen naar succes. Naar erkenning. Naar rust en ontspanning die ergens in de toekomst op ons zou (kunnen) wachten. Misschien herken je dat gevoel, dat je altijd ‘aan’ staat.

Als dit project af is.
Als ik eindelijk ontspannen ben.
Als ik mezelf op orde heb.

Maar daar — in die toekomst — komen we zelden echt aan. Want steeds is het alsof iemand die finishlijn opschuift. Dat ontspannen moeilijk of onmogelijk voelt, zelfs als je daar tijd voor hebt. Een cliënt zei ooit: ‘Het maakt niet uit hoeveel ik weeg. Ik ben altijd 2 kilo te zwaar.’

Waarom controle houden zo verslavend voelt

Doen geeft een gevoel van controle. Van invloed. Als je bezig bent, voel je je nuttig. Waardevol. Nodig ook. En zolang je bezig bent, hoef je niet te voelen. Voel je geen onrust. Of leegte. Dan hoor ik de stille vraag niet, ergens in de verte: is dit het nou? Want zodra het stil wordt, komt er ruimte. En ruimte is spannend. In stilte merk je soms dat alles een beetje vlak is geworden. Dat je veel hebt bereikt, maar eigenlijk weinig voelt.
Dat je functioneert — maar niet echt leeft.

Het geluk dat niet komt

Veel mensen die altijd ‘aan’ staan, merken dat ze moeilijk kunnen ontspannen, zelfs als ze daar tijd voor hebben. We denken vaak dat geluk zit in méér. Meer doen. Meer begrijpen. Meer bereiken. Maar hoe harder we rennen, hoe verder ons einddoel. Alsof geluk iets is dat je nét mist, omdat je te druk bent om het op te merken.
En misschien is dat ook  wel zo.

Hoe je stopt met doen en meer gaat voelen

Misschien herken je het wel: dat je eindelijk stilzit, maar dat je hoofd doorgaat. Dat ontspannen niet vanzelf gaat. Dat je altijd ‘aan’ lijkt te staan, zonder dat je weet hoe je uit moet. Je hoofd is eigenlijk nooit stil. Op de korte termijn is dat best een lekker gevoel. Misschien zelfs wel verslavend. Maar op de lange termijn beweeg je weg van het voelen. En als je niet voelt, dan kun je ook niet echt aanwezig zijn. Dus niet: doe beter. Maar: stop even. Stop met verbeteren. Stop met eindeloos rennen.

En begin met zijn.

Dit is mindfulness. Bewust aanwezig zijn in de dingen die je doet. Niet (over)leven in je hoofd. Maar alle zintuigen gebruiken. Je bewust zijn van je lichaam. Niet je oordeel of je lichaamsbeeld. Maar je lichaam bewonen. Aanwezig zijn in je lichaam. Voelen met je lichaam. Jezelf te belichamen met alles wat je bent. Om te ervaren wat er al die tijd al is — hier, nu, in jou. En ja. Dat kan confronterend zijn. Was het eenvoudig, leuk en gemakkelijk, dan had je het allang eerder gedaan. Maar het is wel waar de diepte zit. Waar jij bent. En waar je dus ook echt contact maakt met jezelf (en all of you).

Misschien hoef je niets te doen, en mag je gewoon zijn

Misschien zijn we niet verslaafd aan doen omdat we zo ambitieus zijn. Maar omdat we vergeten zijn hoe het is om thuis te komen bij onszelf. Bewust aanwezig zijn gaat zeker niet ineens al je problemen niet oplossen. Maar het is wel een uitnodiging om te stoppen met vluchten. Om even te gaan zitten. Te ademen. Op te merken: hé, misschien ben ik er al.

En misschien — heel misschien — is dat genoeg.

Overspannen en maar doorgaan

Ik kan niet bij mijn gevoel komen