Fawning: waarom je jezelf kwijtraakt zonder dat iemand het ziet

Eva zit bij mij op de bank. Haar werkgever heeft haar gestuurd. Niet omdat ze slecht werk levert. Integendeel. Ze is degene die alles weet. Niet de directeur, niet haar manager, maar Eva. Zij weet waar de fouten zitten, welke klant nog antwoord moet krijgen, welke collega iets heeft laten liggen en waar het straks misgaat als niemand ingrijpt. Dus grijpt zij in. Ze poetst fouten weg voordat iemand ze ziet. Ze lost op wat niet van haar is. Ze denkt vijf stappen vooruit. Ze doet in een uur waar anderen een dag over doen en schaamt zich vervolgens dat ze moe is.

Tot een collega vroeg: “Hoe gaat het eigenlijk met je?” En toen begon Eva ineens te huilen. Niet een beetje. Niet charmant met één traan. Maar zo dat haar lichaam ineens zegt: klaar. Nu stop ik ermee. Ze snapt het zelf niet. Ze heeft toch alles? Een baan, een partner, twee kinderen, een huis, een leven dat er van buiten prima uitziet. Alleen voelt ze zich niet prima. Ze voelt zich uitgeput, vlak, geïrriteerd en leeg. Alsof ze al jaren aanstaat, maar niet meer weet waarvoor.

Dit is fawning.

Niet als lief glimlachend pleasen. Niet als “ik ben nu eenmaal zorgzaam”. Maar als overleven door jezelf te verlaten.

Eva was vroeger zo makkelijk

Eva had een oudere broer met autisme. Hij had veel nodig. Aandacht, voorspelbaarheid, aanpassing, geduld. Hij at alleen spaghetti bolognese en friet van McDonald’s. Eva lustte alles. Daar werd ze om geprezen.

Wat ben jij makkelijk.
Wat ben jij zelfstandig.
Met jou hebben we nooit gedoe.

En dat klinkt liefdevol, maar voor een kind kan daar een pijnlijk besluit onder gaan zitten: mijn behoefte is alleen welkom als hij niet lastig is. Eva leerde al vroeg dat aandacht niet vanzelf kwam. Affectie ook niet. Er was verbinding, maar vaak pas als zij niet te veel vroeg. Als zij aanvoelde wat er nodig was. Dus werd ze goed in scannen. Is mama moe? Is papa gespannen? Is mijn broer overprikkeld? Moet ik even niks vragen? Moet ik helpen? Moet ik lachen? Moet ik verdwijnen?

En daar begint fawning vaak. Niet met grote drama’s, maar met een kind dat voelt: ik ben verantwoordelijk voor de harmonie.

Fawning is jezelf aanpassen voordat iemand teleurgesteld raakt

Fawning is een stressreactie. Net als vechten, vluchten of bevriezen. Alleen ziet deze reactie er vaak sociaal wenselijk uit. Je bent behulpzaam. Betrokken. Aardig. Efficiënt. Loyaal. Je voelt de sfeer aan, regelt wat nodig is, voorkomt spanning en neemt verantwoordelijkheid voordat iemand anders doorheeft dat er verantwoordelijkheid lag. Mensen vinden dat fijn. Werkgevers vinden dat fijn. Partners vinden dat fijn. Hel familiesystemen vinden dat fijn. Onze cultuur vindt dat fijn. En al helemaal bij vrouwen en moeders. Dus het patroon wordt steeds beloond.

Eva krijgt waardering omdat ze alles ziet. Thuis draait het gezin op haar hoofd. Haar partner maakt lange dagen en komt vaak thuis als de jongste al in bed ligt. Eva weet wanneer de gymtas mee moet, wie nieuwe schoenen nodig heeft, welke traktatie er gemaakt moet worden, wie wanneer naar de tandarts moet, wat er in de koelkast ligt en wie emotioneel uit de bocht dreigt te vliegen. Ze draagt de mentale last van het gezin en noemt het zelf “gewoon druk”. Maar het is niet gewoon druk. Het is leven alsof iedereen omvalt als jij stopt.

Waarom Eva niet meer voelt wat ze wil

Als ik Eva vraag wat zij wil, kijkt ze alsof ik iets in een vreemde taal zeg. Ze weet wat haar kinderen nodig hebben. Ze weet wat haar partner vergeten is. Ze weet wat haar collega’s laten liggen. Ze weet wat haar moeder bedoelt als ze “het maakt niet uit hoor” zegt.

Maar wat zij wil? Geen idee.

Dat is geen onwil. Dat is precies wat fawning doet. Als je jarenlang afgestemd bent op de ander, wordt je eigen binnenwereld vaag. Je voelt pas iets als het te laat is. Uitputting. Irritatie. Afvlakking. Huilen bij een simpele vraag. Eva twijfelt inmiddels aan alles. Haar werk. Haar relatie. Haar leven. Niet omdat alles verkeerd is, maar omdat zij zichzelf er niet meer in kan voelen. Ze heeft haar persoonlijkheid langzaam uitgegumd. Gewoon elke dag een beetje.

Wat er gebeurt als je als kind niet gespiegeld wordt

Een kind leert zichzelf kennen doordat het gespiegeld wordt. Een baby huilt en er komt een ouder aan, die niet alleen voedt of verschoont, maar ook teruggeeft: ik zie je, jij mag er zijn, ik ben hier. Een peuter is boos en de ouder helpt die boosheid dragen. Een kind is bang en de ouder zegt niet meteen “stel je niet aan”, maar laat merken: jouw gevoel klopt, en ik schrik hier niet van, ik blijf. Dat spiegelen is geen luxe. Het is hoe een kind leert: wat ik voel is echt, mijn binnenwereld bestaat, mijn emoties zijn niet gevaarlijk.

Het bekende Still Face Experiment van Edward Tronick laat rauw zien wat er gebeurt als een ouder ineens emotioneel niet meer reageert: baby’s proberen contact te herstellen, raken ontregeld en keren zich uiteindelijk af. Het experiment wordt vaak gebruikt om te laten zien hoe belangrijk emotionele afstemming is voor jonge kinderen.

Dat betekent niet dat een ouder perfect beschikbaar moet zijn. Dat bestaat niet. Maar als er structureel weinig emotionele afstemming is, bijvoorbeeld door postnatale depressie, veel stress, een ziekenhuisopname, couveusetijd, trauma, overbelasting of een gezin waarin één kind alle aandacht vraagt, kan een kind gaan geloven: mijn gevoel mag er niet zijn, ik mag geen ruimte innemen.

En dan gaat zo’n kind iets slims doen. Het gaat naar het hoofd. Het gaat begrijpen, voorspellen, aanpassen, controleren. Niet omdat het koud is, maar omdat voelen te onveilig werd.

FAWNING

Verbinding of jezelf zijn

Gabor Maté beschrijft dat kinderen twee diepe behoeftes hebben: verbinding en authenticiteit. Je wilt ergens bij horen, veilig zijn, gezien worden. En je wilt jezelf kunnen zijn, met je eigen gevoelens, impulsen, grenzen en waarheid. Als die twee botsen, wint verbinding altijd. Want een kind kan niet zeggen: jammer dan, ik kies mijn authenticiteit wel. Een kind is afhankelijk. Dus als jezelf zijn de verbinding bedreigt, lever je jezelf in.

Eva leerde niet: ik mag boos zijn, iets willen, lastig zijn, ruimte innemen. Eva leerde: als ik makkelijk ben, blijf ik dichtbij. En nu leeft ze dat nog steeds.

Hoe fawning doorgegeven wordt zonder dat je het wilt

Dit is het pijnlijke stuk. Eva heeft twee kinderen. Haar jongste zoon is tien en lief. Heel lief. Hij voelt haar feilloos aan. Hij helpt, klaagt weinig, vraagt niet veel. Eva voelt zich diep met hem verbonden. Haar oudste dochter is puber en moeilijker. Ze moppert, is boos, zegt wat ze niet wil, vindt dingen oneerlijk en laat weinig waardering zien. Eva ergert zich kapot aan haar. En juist daar zit de spiegel. Haar dochter doet iets wat Eva nooit heeft durven doen. Ruimte innemen. Iets willen. Niet meteen dankbaar zijn. Boosheid laten bestaan. Een grens hebben zonder die eerst netjes in te pakken.

Eva noemt het ondankbaar, maar ergens raakt het aan een oud verlangen. Ik wou dat ik dat kon. Tegelijk valideert Eva onbewust het pleasen van haar zoon. Wat ben jij makkelijk. Wat ben jij lief. Met jou is het zo fijn. Precies de woorden waar zij zelf ooit in verdween. Zo wordt fawning doorgegeven. Niet omdat je je kinderen tekort wil doen, maar omdat je eigen systeem nog steeds gelooft dat aanpassen veilig is en authenticiteit gevaarlijk.

Waarom je zo kortaf wordt tegen de mensen van wie je houdt

Eva schaamt zich kapot. Op werk is ze beheerst. Vriendelijk. Oplossend. Sterk. Thuis snauwt ze tegen haar kinderen omdat er een jas op de grond ligt. Ze ergert zich aan haar partner omdat hij vraagt waar de oplader ligt. Ze voelt woede om kleine dingen en daarna schuld. Ze denkt: wat is er mis met mij? Maar er is niets mis met haar. Ze staat al veel te lang aan. Als je altijd scant, draagt, oplost, inslikt en doorgaat, komt er een moment dat je systeem niet meer vriendelijk kan blijven. Dan komt alles eruit op plekken waar het eigenlijk niet over gaat. Niet omdat je een slecht mens bent. Maar omdat je nergens nog ruimte hebt voor jezelf.

Hoe je stopt met fawning

Niet door jezelf strenger toe te spreken. Niet door “gewoon grenzen te stellen”. En zeker niet door nog beter je best te doen. Fawning stopt pas als je het deel in jou gaat herkennen dat dit ooit heeft moeten leren. Het deel dat dacht: als ik makkelijk ben, blijf ik geliefd. Als ik zorg, word ik gezien. Als ik niets nodig heb, ben ik veilig. Dat deel heeft geen schop onder zijn kont nodig. Het moet eindelijk gezien worden.

  1. Eerst herkennen: dit is niet mijn persoonlijkheid, dit is mijn overleefstrategie.
  2. Dan erkennen: natuurlijk doe ik dit, want dit heeft me ooit geholpen.
  3. Daarna zorgen: wat had ik toen nodig, en wat heb ik nu nodig?

En langzaam komt er ruimte voor gevoel. Niet meteen groots. Niet meteen helder. Eerst misschien alleen een nee in je buik. Een irritatie die je niet meteen wegpoetst. Een verlangen waar je niet om lacht. Een grens die je nog niet uitspreekt, maar wel serieus neemt. Bij je kinderen kan hetzelfde gebeuren. Je kunt de autonomie van je oudste leren verdragen zonder haar af te wijzen. Je kunt de authenticiteit van je jongste stimuleren zonder hem alleen te waarderen omdat hij makkelijk is. En vooral: je kunt jezelf terughalen uit het leven van alle anderen.

Je hoeft jezelf niet meer te verdienen

Fawning gaat niet vanzelf over. Juist omdat het zo beloond wordt. Door je werk, je gezin, je partner, je familie en misschien vooral door jezelf. Maar als je dit leest en denkt: dit herken ik, dan weet je waarschijnlijk ook dat je niet nog tien jaar zo door wilt. En waarschijnlijk ben jij ook hartstikke moe. Maar je wilt niet alleen minder moe zijn. Je wilt jezelf terug. Je mooie, open persoonlijkheid. Je vuur. Je grenzen. Je zachtheid. Je zin. Je eigen stem. Niet als project, maar als iets wat weer van jou mag worden. Daar kan ik je bij helpen.

Ik leer je geen technieken om assertiever te worden, maar we gaan samen kijken waar jij jezelf bent kwijtgeraakt. Waar je hebt geleerd dat liefde voorwaardelijk was. Waar je nog steeds denkt dat je moet zorgen, aanpassen of verdwijnen om verbonden te kunnen blijven. Zodat je niet langer hoeft te kiezen tussen verbinding en jezelf.

Lees hier meer over mijn liefdescoaching en hoe ik met je werk.
Of plan een kennismaking als je voelt: dit gaat over mij, ik ben er wel klaar mee en ik wil mezelf terug.

Wat is fawning precies?

Fawning is een stressreactie waarbij je jezelf aanpast om de ander tevreden te houden. Je voelt haarfijn aan wat er nodig is en beweegt daarnaartoe, vaak nog voordat iemand iets vraagt. Van buiten lijkt het zorgzaam en sociaal, maar van binnen betekent het vaak dat je jezelf wegcijfert. Je zegt ja terwijl je nee voelt en raakt langzaam het contact met je eigen behoeftes kwijt.

Hoe weet ik of ik fawn?

Je herkent fawning vaak niet meteen, omdat het zo normaal voelt. Maar als dit herkenbaar is, dan fawn jij:

En misschien wel de belangrijkste: je bent moe, leeg of geïrriteerd, zonder precies te weten waarom.

Waar komt fawning vandaan?

Fawning ontstaat vaak in je jeugd, wanneer verbinding niet vanzelfsprekend voelde. Als kind heb je twee belangrijke behoeftes: je wil je veilig voelen bij de ander én jezelf kunnen zijn. Als dat botst, kies je bijna altijd voor verbinding. Dus als je hebt geleerd dat liefde afhankelijk is van hoe jij je gedraagt: dat je makkelijk moet zijn, niet te veel moet vragen of goed moet aanvoelen wat de ander nodig heeft, dan ga je je aanpassen. En dat patroon neem je later mee in relaties, werk en vriendschappen.

Hoe stop ik met fawning?

Het begint met herkennen: dit is wat ik doe. Daarna erkennen: dit heeft me ooit geholpen. En dan pas iets nieuws proberen. Dat zit in kleine dingen. Even wachten voordat je antwoord geeft. Voelen wat er in je lijf gebeurt. Iets uitspreken wat dichter bij jou ligt, ook al voelt het spannend. Het belangrijkste is dat je jezelf weer serieus gaat nemen. Niet pas als alles af is, maar juist terwijl het nog onwennig voelt.

Het kan ook helpen om het uit te gaan spreken in je omgeving, dat je ermee oefent, maar het spannend vindt.

Kan ik fawning afleren zonder hulp?

Je kunt zeker zelf stappen zetten. Alleen bewustwording dat dit jouw stressreactie is, helpt al. Maar veel mensen merken dat ze het wel snappen, maar in het moment toch terugschieten in aanpassen. Dat komt omdat fawning diep in je zenuwstelsel zit. Daarom helpt het om dit samen te doen. Zodat je niet alleen begrijpt wat er gebeurt, maar ook leert voelen wat van jou is en daar anders naar gaat handelen.

Is het erg als ik fawn?

Nee, helemaal niet. Het hoort natuurlijk ook wel een beetje bij je. En waarschijnlijk ben je ook echt aardig en het is ook zeker niet de bedoeling om grenzen aan te gaan geven met gestrekt been, dat voelt ook niet fijn. Maar fawning gaat op de lange termijn ten koste van jezelf. Je levert jezelf in, zonder dat iemand hier iets aan heeft. Vaak is het zo dat je het ook lastig vind wensen, grenzen, behoeftes en verlangens aan te geven zelfs als anderen die met je delen. Het lastige zit er vooral in dat je jezelf te kort doet en delen van jezelf onderdrukt en fawning op de voorgrond staat en omdat het een copingstrategie is, is dat vermoeiend. Ook voor jou. En de prijs is wel heel erg hoog (zelfverlating).

Waarom voelt het zo eng om mezelf te zijn?

Omdat je hebt geleerd dat jezelf zijn gevolgen heeft. En dat betekent overigens niet dat je enorme trauma’s moet hebben, of dat het de schuld is van je ouders. In het leven ervaren we afwijzing. Of soms krijg je wat minder aandacht. Er is spanning, teleurstelling. Een ouder die dichtklapt, boos wordt of juist niets teruggeeft. Voor een kind is dat groot. Dus je systeem maakt een koppeling: als ik mezelf ben, raak ik verbinding kwijt. Zonder dat dat waar is, of dat het heel groot was. Maar die overtuiging neem je mee, ook als je allang volwassen bent. Dus als jij nu voelt: ik wil dit zeggen, ik wil dit niet, dit klopt niet voor mij, dan komt daar meteen iets achteraan: pas op!

Dus je gaat iets tegennatuurlijks doen. Je gaat naar je gevoel luisteren, of je gevoelens valideren terwijl je hoofd dat helemaal geen goed idee vindt. Maar langzaam ga je ervaren dat je jezelf kunt zijn… zonder dat je de verbinding verliest. Het is uiteindelijk aangeleerd gedrag, dus ook gewoon af te leren (terwijl je nog steeds je aardige zelf bent;)